Embryoadoptie
J. Boeijenga | Geen reacties | 21-07-2026| 10:30
Vraag
Wij zijn een jong stel, enkele jaren getrouwd. Enige tijd heeft mijn vrouw de diagnose prematuur ovarieel falen gekregen. Naast de klachten die mijn vrouw ervaart, hebben we allebei een sterke kinderwens. Voor ons is een kind de kroon op het huwelijk, het meest bijzondere geschenk en een grote zegen die God aan een echtpaar kan geven. Zoals u zich kunt voorstellen rouwen we dan ook diep om dit verlies. Vanuit het ziekenhuis wordt eiceldonatie als enige optie gezien. Hierover heeft dhr. J. Boeijenga zijn ethische overwegingen al gedeeld in een eerder artikel over eiceldonatie. Hoewel dat ons veel verdriet doet, kunnen wij ons op Bijbelse gronden in die overwegingen vinden.
In datzelfde artikel wordt ook de mogelijkheid van adoptie genoemd. Helaas is dit in 2026 vrijwel geen reële optie meer door de huidige wet- en regelgeving in Nederland. Daarnaast wordt vaak eerst een langdurig pleegzorgtraject verwacht. Voor pleegzorg voelen wij ons, mede doordat mijn vrouw is opgegroeid in een gezin waar pleegkinderen verbleven, niet geroepen.
Wel is er nog een andere mogelijkheid waarover wij graag uw Bijbelse overwegingen zouden horen: embryoadoptie. Bij IVF-trajecten worden helaas restembryo's soms vernietigd, maar ze kunnen ook worden afgestaan aan een ander echtpaar. Wij geloven dat het leven begint bij de conceptie. Daarom zien wij deze embryo's als menselijk leven dat anders verloren zal gaan. We overwegen daarom embryoadoptie, enerzijds om deze embryo's een kans op leven te geven, maar we willen ook eerlijk benoemen dat er een persoonlijk verlangen meespeelt: de hoop om, als de Heere het geeft, zelf een gezin te mogen vormen.
Onze vraag is: welke Bijbelse overwegingen zijn er rondom embryoadoptie? Is er een principieel verschil met gewone adoptie? In ons leven willen we de wegen van de Heere volgen. Het leven hier weegt niet op tegen wat hierna komt; daar ligt onze echte hoop. Juist daarom vinden we het belangrijk om ook in deze moeilijke situatie keuzes te maken waarin God centraal staat. We zien uit naar uw Bijbels onderbouwde overwegingen rond dit ethische dilemma.
Antwoord
Dit is een erg teer en complex vraagstuk waar de pastorale praktijk en de medische ethiek elkaar op het scherpst van de snede ontmoeten. Het raakt aan diep menselijk verdriet -de onvervulde kinderwens vanwege het vroegtijdig stoppen van de eierstokfunctie- én aan fundamentele vraagstukken en standpunten over het begin van het leven en de door God gewilde scheppingsorde.
Wanneer de letter van de Schrift zwijgt over moderne medische technieken, dwingt de geest van de Schrift ons om te rade te gaan bij de grote lijnen van Gods openbaring: de soevereiniteit van de Schepper, de bescherming van het leven en de unieke plaats van het huwelijk.
Ik hoop dat jullie het mij niet kwalijk nemen dat ik nogal wat tekst nodig heb om dit op een evenwichtige wijze toe te lichten, waarbij ik graag put uit betrouwbare en in onze gezindte erkende bronnen.
De denkrichtingen zijn allereerst rechtstreeks aan -A- de Heilige Schrift ontleend. Daarbij is gekeken hoe verklaarders (variërende van Kanttekeningen, oudvaders en puriteinen) hier -indien relevant- iets over hebben geschreven. Als tweede ga ik te rade bij -B- gezaghebbende hoogleraren die medisch-ethische problemen hebben geduid vanuit een Bijbels-reformatorisch kader (en een kleine toevoeging door de rooms katholieke-moraaltheologie). Tot slot -C- een samenvatting en duiding.
"Men kan het goede willen doen, maar daarmee ongewild participeren in een systeem dat de scheppingsorde heeft losgelaten"
A - de Bijbel en diverse verklaringen
1. Het ethische dilemma: het redden van leven versus het normaliseren van het kwaad. De diepste spanning bij embryoadoptie ligt in het conflict tussen de intentie (de goede bedoeling, het hoge doel) en de context (randvoorwaarden, effecten, grenzen) waarbinnen dit plaatsvindt. Ik zal dat verduidelijken: de bescherming van het leven (het zesde gebod) heeft alles te maken met de Bijbelse (reformatorische) gedachte over het ontstaan van dat leven - gebaseerd op Schriftplaatsen als Psalm 139 en de uitleg van de Kanttekeningen dat God de Formeerder is van het leven vanaf het allereerste begin. Zo komen we op het standpunt dat een embryo een volwaardig menselijk leven is. Zacharias Ursinus legt in zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus (Zondag 40) over het zesde gebod uit dat wij niet alleen de plicht hebben om geen moord te plegen, maar ook om naar ons vermogen het leven van onze naaste te beschermen en te behouden.
Vanuit die optiek lijkt het adopteren van een restembryo een daad van barmhartigheid: het redden van een uniek, door God geschapen leven dat anders gedoemd is tot vernietiging. Dat is de ene kant.
Anderzijds is daar het gevaar van de legitimatie van een onbijbelse praktijk: deze adoptie normaliseert en rechtvaardigt de markt en de praktijk van IVF (waarbij bijna onvermijdelijk restembryo's ontstaan). Calvijn waarschuwde in zijn ethische geschriften herhaaldelijk tegen het principe dat een goede intentie of een vroom doel zondige, onrechtvaardige of immorele handelingen zou rechtvaardigen. Men kan het goede willen doen (een leven redden), maar daarmee ongewild participeren in een systeem dat de scheppingsorde (het verwekken van leven binnen de intieme eenheid van man en vrouw) heeft losgelaten.
2. De Scheppingsorde en de ouder-kindrelatie. Een ander zwaarwegend principieel punt is de totale ontkoppeling van de genetische verwantschap, het 'technisch/klinische' begin van de zwangerschap en de gekunstelde status van het ouderschap.
In de gereformeerde theologie is de gezinsstructuur niet louter een sociologische vorm, maar een goddelijke verbondsinstelling, de orde die God in de schepping heeft gelegd (met name Thomas Boston heeft hier over geschreven). Het kind is organisch verbonden aan de ouders aan wie God de belofte van het verbond schenkt. Bij embryoadoptie groeit er een kind op in een gezin waarmee het geen enkele biologische of genetische continuïteit heeft. Het wordt, oneerbiedig gezegd, ‘ingebracht’ in een andere geslachtslijn.
Vergelijking met gewone adoptie: bij reguliere adoptie is er sprake van een reeds geboren kind dat zijn of haar ouders is kwijtgeraakt, adoptie is dan een noodoplossing om een gebroken werkelijkheid te helen. Bij embryoadoptie worden diverse embryo’s echter bewust medisch gecreëerd, specifiek om de kinderwens van de wensouders te vervullen. Hierbij speelt sterk de maakbaarheidsgedachte een rol, waarbij de mens de totale controle wil hebben over de totstandkoming van de conceptie en het verdere verloop van de zwangerschap. Het is niet moeilijk om de uitwassen te voorspellen, waarvan de voortekenen zich al aandienen: invloed op de geslachtskeuze van het kind en vervolgens de designerbaby. Deze wensen zullen -als God het niet verhoedt- niet lang op zich laten wachten om ingewilligd te worden.
Ik wil hier overigens niet lichtvaardig voorbijgaan aan het ‘voordeel’ dat embryoadoptie heeft boven gewone adoptie, namelijk het traject van zwangerschap dat anders nooit beleefd zou worden. Maar dit vertroebelt wel het gegeven dat een kind uit embryoadoptie (na een onnatuurlijke procedure) in feite net zo min een ‘eigen’ kind is als een regulier geadopteerd kind.
3. Pastorale en psychologische aspecten. "De waarheid moet in liefde betracht worden" (naar Efeze 4:15). De plicht tot openheid (het negende gebod): binnen een Bijbelgetrouwe opvoeding kan een relatie tussen ouders en kind niet gebouwd zijn op een geheim of een leugen. J. C. Ryle benadrukte in zijn praktische geschriften over de opvoeding (“De plichten van de ouders”) altijd het absolute belang van oprechtheid en waarachtigheid. Het achterhouden van de waarheid over de herkomst van het kind schijnt in strijd met de christelijke plicht tot eerlijkheid. Bovendien wijst modern psychologisch onderzoek uit dat kinderen die op latere leeftijd achter hun werkelijke afkomst komen, vaak een diepe identiteitscrisis doormaken. Openheid vanaf jonge leeftijd is dus niet alleen een ethische, maar ook een pastorale plicht. Martyn Lloyd-Jones wees er in zijn medisch-ethische reflecties vaak op dat de mens een eenheid is van ziel, geest en lichaam; het negeren van de lichamelijke/genetische wortels kan diepe sporen nalaten in de ziel. (Omdat hij zelf opgeleid was als medisch specialist, combineerde hij zijn medische kennis met zijn theologische analyses.)
Hechtingsproblematiek: omdat het embryo vanaf de baarmoeder gedragen wordt door de adoptiemoeder, is de prenatale hechting (de biologische en emotionele band tijdens de zwangerschap) van moeder naar kind vaak sterker dan bij reguliere adoptie. Toch kan er later, wanneer het kind zich bewust wordt van de genetische ontkoppeling, een gevoel van ontworteling van het kind met de moeder/ouders ontstaan. Het mist de geschiedenis van zijn of haar biologische voorouders en heeft het wettelijke recht om die te weten.
Hiermee samenhangend: Sinds 1 juni 2004 is er een einde gekomen aan de anonimiteit. Sinds de inwerkingtreding van de Wdkb (Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting) op 1 juni 2004 is anonieme donatie (van sperma, eicellen en embryo's) in Nederlandse klinieken volledig verboden. Elk kind dat na deze datum met behulp van een donor is verwekt, heeft het wettelijke recht op zogenaamde afstammingskennis. De wet regelt dit stapsgewijs op basis van de leeftijd van het kind vanaf 12 jaar: het kind heeft recht op niet-identificerende gegevens van de donor. Dit betreft sociale en lichamelijke kenmerken (zoals beroep, gezinssamenstelling, haarkleur, oogkleur en karaktertrekken).
Vanaf 16 jaar: het kind heeft het wettelijke recht op de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Dit betekent dat het kind de volledige naam, geboortedatum en woonplaats van de biologische ouder(s)/donor kan opvragen bij de landelijke registratie (het college donorbevruchting kunstmatige gegevens). De donor kan deze verstrekking in principe niet weigeren; het recht van het kind om te weten van wie het afstamt weegt in de Nederlandse wet zwaarder dan het recht op privacy van de donor. Dit kan leiden tot pijnlijke confrontaties voor alle betrokkenen.
B - Verdere doordenking van orthodox-protestantse medisch-ethici
1. Prof. dr. J. Douma sprak in zijn handboek Medische Ethiek uitvoerig over terughoudendheid bij IVF en kunstmatige voortplanting. Zijn ethiek kenmerkt zich door een diep respect voor de biologische grenzen die God in de schepping heeft gelegd, gecombineerd met een scherp oog voor de pastorale praktijk. Hij hanteerde als trefwoord: "Eenduidig ouderschap" (als gevolg van de scheppingsorde), Douma was een fel tegenstander van het opsplitsen van het ouderschap. Hij stelde dat God de biologische band (genetica), de gestationele band (emotionele band, samengaand met zwangerschap) en het sociale ouderschap (de opvoeding) onlosmakelijk aan elkaar heeft verbonden binnen de eenheid van het huwelijk. Bij embryoadoptie wordt deze eenheid volledig doorbroken. De wensmoeder draagt een kind dat genetisch gezien vreemd is aan haar én haar man. Douma zou hierin een gevaarlijke "vertechnisering" en "fragmentatie" van het gezinsleven zien, die de door God gewilde orde aantast.
Een ander trefwoord van Douma was: "Beschermwaardigheid vanaf de conceptie." Douma hanteerde het absolute uitgangspunt dat het embryo vanaf de allereerste versmelting een menselijk persoon is, een naaste. Hij verzette zich hevig tegen het vernietigen van restembryo's of het gebruiken ervan voor wetenschappelijk onderzoek.
"Door het embryo te adopteren, legitimeren zij feitelijk de markt van restembryo's"
Douma neigde in zijn ethiek naar het standpunt dat men niet mag meewerken aan een onzuiver systeem om een goed doel te heiligen. Hij zou een echtpaar met een onvervulde kinderwens waarschijnlijk waarschuwen dat zij, door het embryo te adopteren, de "markt van restembryo's" feitelijk legitimeren.
2. Prof. dr. W. H. Velema benaderde medisch-ethische kwesties vaak vanuit de pneumatologische (leer van de Heilige Geest) en verbondsmatige kant: wat doet dit met de ziel, met de relaties en met het verbond? Hij hanteerde als trefwoord: "Biologische vervreemding" en waarschuwde sterk voor de psychologische en geestelijke gevolgen van kunstmatige ingrepen waarbij derden (in dit geval de biologische donoren van het embryo) betrokken zijn. Hij sprak over de "breuk in de generatieve lijn." Een kind hoort te weten uit welk vlees en bloed het is voortgekomen; dat is verweven met de bijbelse notie van het nageslacht en de geslachtsregisters.
Een ander trefwoord van Velema was: "Waarachtigheid". Over de vraag of ouders verplicht zijn te vertellen hoe het zit, is Velema's ethiek onverbiddelijk. Vanuit het negende gebod stelde hij dat de gezinsstructuur gebaseerd moet zijn op waarheid. Een gezin waarin een fundamenteel biologisch feit verzwegen wordt, leeft onder de druk van een "gedwongen geheim." Velema wees erop dat dit de opvoedingsrelatie vroeg of laat ondermijnt. Als het echtpaar de weg van adoptie zou gaan, zou Velema hen absoluut verplichten tot volledige openheid naar het kind toe, om te voorkomen dat het kind later in een diepe identiteitscrisis (ontworteling) terechtkomt.
Nog zo’n trefwoord: "Aanvaarding van de grens." Velema schreef indringend over het kruis van de kinderloosheid. Hij stelde dat de medische wetenschap ons de illusie geeft dat alles 'maakbaar' is. Volgens Velema ligt er soms een zware, maar gelovige roeping in het halthouden voor een grens. Als een kind niet gegeven wordt binnen de natuurlijke, door God gegeven bedding van het huwelijk, dan kan het zoeken naar achterdeurtjes (zoals embryodonatie) een vorm van menselijke autonomie worden die de vrede met Gods weg in de weg staat.
Conclusie vanuit hun trefwoorden. Als we de lijnen van Douma en Velema over elkaar heen leggen, zouden beide hoogleraren waarschijnlijk met grote pastorale tederheid, maar met een zeer dringend ethisch voorbehoud adviseren: hoewel het motief barmhartig is (het redden van een embryo van de vernietiging), weegt de ontkoppeling van de goddelijke scheppingsorde en de biologische vervreemding (met alle risico's voor de identiteit en hechting van het kind) zwaarder. Zij zouden een echtpaar eerder wijzen op de weg van klassieke adoptie (het ontfermen over een reeds geboren, wees geworden kind) of het biddend leren dragen van de onvervulde kinderwens, hoe onvoorstelbaar zwaar dat ook is.
"Hoewel het motief barmhartig is, weegt de ontkoppeling van de goddelijke scheppingsorde en de biologische vervreemding zwaarder"
3. Prof. dr. ir. Henk Jochemsen: voormalig directeur van het prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut, centrum voor christelijke ethiek in de gezondheidszorg, en is namens dit instituut hoogleraar medische ethiek geweest; mengt zich ook in woord en geschrift nog regelmatig in het medisch-ethische debat. Jochemsen combineert zijn achtergrond als moleculair bioloog met de gereformeerde filosofie. Zijn ethiek cirkelt onder andere rond de fundamentele status van het embryo en de grenzen van de techniek.
Het embryo als ‘volwaardige naaste’: Jochemsen heeft altijd onverkort vastgehouden aan het standpunt dat het menselijk leven begint bij de conceptie. Een embryo in de diepvries is voor hem geen "klompje cellen", maar een uniek menselijk wezen met een eigen waardigheid. Vanuit het motief van de barmhartigheid (het beschermen van het weerloze leven) zou men kunnen redeneren dat embryoadoptie een legitieme reddingsactie is.
Maar… daar tegenover waarschuwt hij in zijn geschriften voor de gedachte dat alles wat technisch mogelijk is, ook ethisch aanvaardbaar wordt zodra er een moreel nobel doel (zoals levensredding of een kinderwens) aan wordt gekoppeld. Jochemsen stelt dat we door embryoadoptie mee gaan doen aan een fundamenteel onjuist systeem. Door de restembryo’s een 'bestemming' te geven, lossen we het morele probleem op dat de IVF-industrie zelf heeft gecreëerd. Daarmee wordt de praktijk van het produceren en invriezen van overtollig menselijk leven gelegitimeerd en in stand gehouden. Jochemsen adviseert daarom consistent om niet te participeren in handelingen die de vrucht zijn van een onbijbelse praktijk.
4. Prof. dr. T. A. (Theo) Boer: onder andere huidig hoogleraar Ethiek van de Zorg aan de PThU en lid van de Gezondheidsraad [commissie Ethiek en recht]. Theo Boer, die veel publiceert over de grenzen van de autonomie van de mens, benadert de ethiek vaak vanuit de relaties en de intrinsieke (wezenlijke) waarde van het individu. Boer heeft zich herhaaldelijk fel uitgesproken tegen het kweken en gebruiken van embryo's als middel voor een ander doel (zoals wetenschappelijk onderzoek), het ‘instrumentaliseren’ van leven. Bij embryoadoptie treedt een andere vorm van instrumentalisering op: het embryo wordt weliswaar gered, maar het wordt ook ingezet om de - diepe en begrijpelijke- kinderwens van wensouders te vervullen, buiten de natuurlijke generatieve (voortbrengende) lijn om. Boer stelt dat sommige dingen simpelweg niet gedaan moeten worden ("Sommige dingen doe je gewoon niet") omdat ze de fundamentele grens van de menselijke waardigheid overschrijden.
Een niet onbelangrijke, bijkomende zaak is het recht van het kind op zijn afkomst: Boer legt, in lijn met moderne bio-ethische inzichten, grote nadruk op de rechten van het kind. Een kind heeft het fundamentele, door God gegeven recht om te weten uit welk vlees en bloed het is voortgekomen. De totale genetische ontkoppeling bij embryoadoptie creëert een situatie waarin het kind zijn biologische identiteit en geschiedenis kwijt is. Als er al sprake zou zijn van embryoadoptie, zou Boer -net als Velema- absolute openheid eisen vanaf de vroegst mogelijke leeftijd. Het verzwijgen van de herkomst is voor hem een ethische breuk met de waarachtigheid.
De gemeenschappelijke conclusie van de moderne christelijke bio-ethiek. Als de lijn van Jochemsen en Boer doorgetrokken wordt naar de praktijk, zal duidelijk zijn dat zij, ondanks diepe pastorale bewogenheid met het grote leed van ongewilde kinderloosheid, in hun uiteindelijke advies zeer terughoudend en afwijzend zijn. Hoewel de intentie om een ingevroren embryo te 'redden' diep barmhartig is, weegt het principiële bezwaar zwaarder. Men mag het goede niet zoeken via een weg die de scheppingsorde (de eenheid van biologisch en sociaal ouderschap) fragmenteert en die de problematische IVF-praktijk van restembryo's maskeert en normaliseert.
5. Gezien de complexiteit en gevoeligheid van het onderwerp heb ik ook gekeken wat de rooms katholieke-moraaltheologie hiervan zegt (op medisch-ethisch gebied is er grote verwantschap tussen hun moraaltheologie en de reformatorische Bijbelse ethiek).
Waar de reformatorische ethiek (zoals bij Jochemsen en Boer) de nadruk legt op het niet willen legitimeren van het IVF-systeem en de "breuk in de geslachtslijn", trekt de Rooms-Katholieke Kerk de grens zo mogelijk nog scherper. Hoewel de rooms katholieke-moraaltheologie de tragische situatie van de miljoenen ingevroren embryo’s ("zielen op ijs") erkent, is haar oordeel over embryoadoptie heel duidelijk: zij wijst de handeling principieel af omdat het inbrengen van een vreemd embryo de heilige, exclusieve eenheid van het huwelijk en de echtelijke daad doorsnijdt. Men mag een objectief moreel kwaad (de ontkoppeling van de echtelijke vruchtbaarheid en de instrumentaliserende techniek) niet gebruiken om een ander goed doel (het redden van een leven) te bereiken.
"Dit menselijke leven is er al, en in plaats van de dood te sterven in een vriezer, bieden wij het een schoot en een christelijk thuis"
C -Samenvatting en duiding.
Zoals jullie zien zijn er twee denkrichtingen, waar jullie je door zullen moeten laten leiden:
-De wet van de barmhartigheid. Er ligt een diepe bewogenheid in de gedachte: “Dit menselijke leven (en dus ook de ziel met een eeuwige bestemming) is er al, en in plaats van de dood te sterven in een vriezer, bieden wij het een schoot en een christelijk thuis.. Als we alleen naar dit aspect kijken, lijkt het een bijna ideale oplossing voor jullie probleem.
-De grens van de menselijke autonomie. De vraag blijft of de mens hier niet op de stoel van de Schepper is gaan zitten door het leven volledig los te maken van de door God gegeven natuurlijke bedding van het huwelijk. Soms roept de Geest ons op om, hoe pijnlijk ook, de grenzen van onze eindigheid en de gebrokenheid van de gevallen schepping te accepteren, in het vaste geloof dat Gods genade ook genoeg is in de leegte van een onvervulde kinderwens (zoals Spurgeon vaak bemoedigend schreef aan de beproefde gelovige).
In het streven naar een oplossing voor een zeer ingrijpend probleem, dreigt het gevaar van de selectieve waarneming door wellicht te lichtvaardig voorbij te gaan aan de nadelen en grenzen. Jullie hebben bewust deze vraag hier via Refoweb gesteld, dus mag je verwachten dat er geduid wordt vanuit Bijbelsgefundeerde bronnen. Als je dan alle overwegingen bekijkt, blijft er eerlijk gezegd maar één conclusie over, die zo treffend is weergegeven in de uitspraak van prof. T. A. Boer: “Sommige dingen doe je gewoon niet.”
Ik besef dat deze conclusie jullie je van een sluimerende hoop op een oplossing ontrooft. Graag had ik jullie iets anders gegund, maar het gaat hier niet om wat mensen vinden, maar wat de letter en Geest van de Bijbel ons te zeggen hebben. En gezien de uitgebreide toelichting mag duidelijk zijn dat hier -ondanks dat het begrip ‘embryodonatie’ in de tijd van de Bijbelschrijvers onbekend was- een grote mate van eensgezindheid over is.
Let wel: binnen de Nederlandse wetgeving is er geen beletsel om een ‘restembryo’ (een afschuwelijke term overigens, die lijkt te duiden op wegwerpmateriaal) te laten implanteren. Maar jullie hebben expliciet om een Bijbelse duiding gevraagd. Dan gaat het er om, wat je daarmee doet. Het mag duidelijk zijn dat het hier niet zomaar gaat om ‘een mening’.
Het is een weg die jullie alleen in het verborgene, biddend om de leiding van de Heilige Geest en met een geopend Woord, kunnen gaan. Ik wens jullie oprecht veel kracht en wijsheid toe, en rust op je beslissing als je die op bovengenoemde wijze genomen hebt.
Johan Boeijenga
Dit artikel is beantwoord door
J. Boeijenga
- Geboortedatum:26-05-1958
- Kerkelijke gezindte:Hersteld Hervormd
- Woon/standplaats:Nunspeet
- Status:Actief
Bijzonderheden:
Sedationist in ziekenhuis St. Jansdal
Bekijk ook:


