Hoe moet een predikant de gemeente aanspreken?
J. de Wit | Geen reacties | 16-09-2026| 13:07
Vraag
Ik woonde onlangs een dienst bij van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De preek ging over Ruth en Naomi: “Uw volk is mijn volk en Uw God is Mijn God.” Ik zelf ga naar een hersteld hervormde gemeente. Ik merkte dat er zo’n zes keer werd gezegd: “Volk des Heeren in ons midden.” En ik vraag me af wat hier nu de bedoeling van is. Ik weet dat er ware gelovigen zijn in de kerk maar ook ongelovigen. Is het echt zo van belang dat als we een preek hebben waar we er telkens aan herinnerd moeten worden dat er onderscheid is bij de kerkgangers?
Ik merk dat ik het daar heel moeilijk mee heb. Misschien omdat ik pas op latere leeftijd tot geloof ben gekomen en onchristelijk ben opgevoed. Er staan in de Bijbel dat we geen onderscheid mogen maken. Dat is toch ook niet aan ons? (Jakobus 2:1-4; Galaten 3:28 ; 1 Korinthe 12:13). Waarom wordt dit dan zo vaak aangehaald? En ik weet dat we het moeten horen, dat is nodig, maar naar mijn idee niet op deze manier. Ik hoor graag meer hierover!
Antwoord
Hoe moet een predikant de gemeente aanspreken? Je weet dat het nodig is om onderscheid te maken tussen gelovigen en ongelovigen, maar de manier waarop dit in de bewuste preek gebeurde voelt voor jou toch niet helemaal goed. Hoe moet het dan wel?
Allereerst iets over de uitdrukkingen “volk des Heeren.” Dat is een heel Bijbelse uitdrukking. Eén van de hoofdthema’s van de Bijbel als geheel is Gods verkiezing en verlossing van Zijn volk. Maar de vraag is natuurlijk: wie worden er met “het volk van de Heere” bedoeld?
De uitdrukking “volk van de Heere” of “volk van God” heeft allereerst betrekking op Israël. Israël is Gods uitverkoren volk (zie bijvoorbeeld Exodus 5:1). De beloften, aansporingen en bedreigingen zijn gericht aan het hele volk Israël, als Gods verbondsvolk. God zegt tegen heel Israël “Ik ben de HEERE uw God” (Exodus 20:2). Dat is de grote belofte van het genadeverbond. En daarna volgen de verplichtingen en bedreigingen, die evengoed gelden voor het hele volk.
" 'Volk des Heeren' heeft betrekking op de héle gemeente en niet slechts op een klein deel daarvan. Wie dat ontkent is in feite een baptist"
Door het werk van de Heere Jezus Christus is het verbond met Israël uitgebreid, zodat ook de gelovigen uit de heidenen in het genadeverbond worden ingelijfd. Ook gelovige heidenen mogen horen bij het volk van God (Efeze 2:12-19), samen met hun kinderen (Handelingen 2:39). Om die reden wordt de hele nieuwtestamentische gemeente aangesproken op dezelfde manier als het oudtestamentische Israël (vgl. 1 Petrus 2:9 met Exodus 19:5-6). Met andere woorden: de uitdrukking “volk des Heeren” heeft dus betrekking op de héle gemeente en niet slechts op een klein deel daarvan. Wie dat ontkent trekt het Oude en Nieuwe Testament uit elkaar en is in feite een baptist.
Bij het volk van God horen dus niet alleen de mensen die zalig worden. Er zijn immers gehoorzame en ongehoorzame kinderen van het verbond. Elke Israëliet hoorde bij het volk van God en deelde daarom in de belofte van het beloofde land. Maar degenen die die belofte niet geloofden zijn onderweg omgekomen. Een onderscheidende prediking heeft dan ook niets te maken met de vraag wie er precies bij het volk van God horen. Veeleer gaat het om de vraag: ben je een gehoorzaam of ongehoorzaam kind van het verbond? Leef je in vertrouwen op Gods beloften of vertrouw je op iets anders? Leef je met of zonder de Heere Jezus?
Het is duidelijk dat de uitdrukking “volk des Heeren” in de preek die jij hoorde niet op deze manier functioneerde. Predikanten die de uitdrukking gebruiken zoals in deze preek hebben doorgaans een andere verbondsvisie. Zij kijken op een andere manier naar de gemeente; meer zoals baptisten dat zouden doen. Wie bij het volk van God hoort wordt voor hen niet in de eerste plaats bepaald door het verbond, maar door de wedergeboorte. Pas als je iets hebt ervaren van de wedergeboorte kun je zeggen dat je bij Gods volk hoort. En daarom separeren zij doorgaans met de vraag: “Heeft u iets van de wedergeboorte ervaren?” En niet: “Vertrouwt u op Gods beloften?”
Die laatste vraag zullen dergelijke predikanten niet zomaar aan het geheel van de gemeente stellen. In hun visie hoor je immers pas bij het volk van God als je een ervaring van wedergeboorte hebt gehad. En pas als dát het geval is gelden Gods beloften ook voor jou.
"Er gaat een onbijbelse verbondsvisie achter schuil die schadelijk is voor het geloof"
Nu levert deze visie (die overigens niet beperkt is tot één kerkverband) een aantal gevaren op. Ik vind het belangrijk om die toch even te benoemen:
1. Het zorgt voor onzekerheid.
De Bijbel is er heel duidelijk over dat de zekerheid van de zaligheid niet rust op iets in ons, maar enkel en alleen op Gods beloften in Christus. Zo gold dat voor de Israëlieten en zo geldt dat voor ons nog steeds (zie Hebreeën 3:19-4:2). In de prediking zoals jij die hoorde mag je echter pas pleiten op Gods beloften als je weet dat je bent wedergeboren. In feite wordt zo voor heel de gemeente de weg naar Gods beloften geblokkeerd en is echte heilszekerheid niet mogelijk. De enige vorm van zekerheid is een soort gevoelszekerheid: zolang ik het voel of ervaar is het waar. Maar dat is een zekerheid die rust op onszelf en niet op God.
2. Het zorgt voor een vertrouwen op valse gronden
Wij kunnen alleen maar zalig worden op grond van Gods beloften van vergeving in Christus. Als Gods beloften echter worden ingewisseld voor de wedergeboorte (en de ervaring daarvan), dan is het gevaar heel groot dat mensen gaan rusten op hun ervaring en niet op Gods beloften. Ze durven de eeuwigheid aan te doen omdat ze wel eens iets hebben ervaren, soms heel indrukwekkend, maar ze kennen niets van een vertrouwen op het bloed van Christus. Ze hebben nog nooit begrepen wat het betekent om gerechtvaardigd te worden als een goddeloze: iemand die zelfs geen bekering meer heeft om hem een streepje voor te geven bij God. Ze kunnen wel heel indrukwekkend vertellen over wat ze hebben meegemaakt, maar met dat alles vertrouwen ze op hun eigen bekering en wedergeboorte en niet op Christus.
3. Het zorgt voor oppervlakkigheid
In de prediking zoals jij die hoorde wordt de gemeente opgedeeld in een wedergeboren en een niet-wedergeboren deel, een deel dat in het verbond is en een deel dat daar buiten staat. Op die manier is er een deel van de gemeente dat kan zeggen: Gods Woord komt niet tot mij, want ik hoor niet bij Gods volk. Heel veel mensen voelen zich daardoor verlamd. Ze wachten tot ze iets meemaken waardoor ze weten dat ze wedergeboren zijn. En zolang dat niet is gebeurd kun je niet zoveel met het Woord van God. Het heeft geen zeggingskracht in je leven. Omdat ze zich niet aangesproken weten door de aanhef van de wet (“Ik ben de HEERE uw God”) voelen ze zich ook niet aangesproken door het vervolg van de wet. Zo kan een kerk vol zitten met mensen die zich wel christen noemen (ze gaan nu eenmaal naar de kerk), maar in de praktijk hun christen-zijn verloochenen.
Natuurlijk is wat ik hier zeg een generalisatie. Het geldt lang niet voor iedereen die op deze manier denkt. Er zijn ook predikanten die de uitdrukking zoals jij ze noemt hanteren voor wie ik veel respect heb. Het neemt echter niet weg dat er een onbijbelse verbondsvisie achter schuil gaat die schadelijk is voor het geloof.
Kandidaat J. de Wit
Dit artikel is beantwoord door
J. de Wit
- Geboortedatum:14-06-1989
- Kerkelijke gezindte:Hersteld Hervormd
- Woon/standplaats:Berkenwoude
- Status:Actief
Bijzonderheden:
Pastoraal medewerker en kandidaat HHK.
Bekijk ook:


