Profetieën over Tyrus kwamen uit
Ds. D. van der Wal | Geen reacties | 27-03-2026| 12:52
Vraag
Is Ezechiël 26 een profetie die wordt waargemaakt door Alexander de Grote? Het gaat over het oordeel op Tyrus als het goed is. Dit heb ik gelezen: "In Ezechiël 26 zien we tot in de kleinste details hoe de stad Tyrus verwoest zou worden, hoe ze zou worden afgebroken en hoe het puin in zee zou worden geworpen. Toen Alexander de Grote oprukte naar dat gebied, stuitte hij op een groep mensen die zich hadden verschanst in een toren op een eiland voor de kust vlakbij. Hij kon de zee niet oversteken, dus kon hij niet vechten tegen de mensen in de toren. In plaats van hen af te wachten, liet de trotse veroveraar zijn leger stenen in zee gooien om een landbrug naar de toren te bouwen. Het werkte. Zijn leger stak de zee over en versloeg de bewoners van de vesting. Maar waar haalde hij zoveel stenen vandaan? De stenen die voor de landbrug werden gebruikt, waren het overgebleven puin van de stad Tyrus... de stenen die in zee waren geworpen!" Hoe moet ik dit zien?
Antwoord
Beste vragensteller,
Dank voor deze specifieke vraag. Ik ga ervan uit dat je het met een reden stelt. Want in jouw vraag gaat het over Alexander de Grote, terwijl wij in Ezechiël 26 die naam (natuurlijk) niet tegenkomen. Dat maakt je vraag juist interessant.
Volgens het opschrift (26:1) ontving Ezechiël de profetieën over Tyrus “in het elfde jaar.” Daarmee wordt het elfde jaar na 597 voor Christus bedoeld, dus rond het jaar 586 voor Christus.
Tyrus was vroeger vriendelijk tegenover Israël tijdens de periode van de verenigde monarchie (2 Samuël 5:11). Koning Hiram van Tyrus "had David altijd lief" (1 Koningen 5:1). In de zesde eeuw voor Christus stonden de twee machten echter lijnrecht tegenover elkaar, zoals het oordeelsorakel van Ezechiël 26 onthult. Vers 2 verwijst naar Tyrus' vreugde over de val van Jeruzalem, net zoals Edom zich verheugde over de val van Juda (Obadja 1-21). De reden voor deze vreugde had blijkbaar te maken met een grotere winst uit de handel. Jeruzalem oefende invloed uit op veel van dezelfde handelsroutes als Tyrus, maar nu de concurrerende stad Jeruzalem was verdwenen, kon Tyrus meer winst maken; een ontwikkeling die hun houding goed verklaart.
De profetie over Tyrus is over drie hoofdstukken verdeeld. Elk hoofdstuk laat een bijzonder kenmerk zien van de grootheidswaanzin en hoogmoed van Tyrus. Naast het economische motief zit er bovendien een duidelijke theologische laag onder. Net als de profeet Jeremia ziet ook Ezechiël het Babylonische rijk als een instrument in de hand van de HEERE, en een ieder die dit instrument in de weg staat zal veroordeeld worden. Na de val van Jeruzalem in 586 voor Christus zijn er nog maar twee tegenstanders van de Babyloniërs die weerstand bieden. Dat zijn Egypte en Tyrus. Het is dan ook niet zomaar dat er in het Bijbelboek Ezechiël met name deze twee het oordeel wordt aangezegd.
Volgens Flavius Josephus, een Joodse geschiedschrijver, belegerde Nebukadnezar de stad Tyrus vanaf het jaar 585 tot 573 of 572 voor Christus. Dus ongeveer dertien jaar lang duurde dat beleg. Hoe dat beleg precies verliep, is ons niet in detail overgeleverd.
Wel vinden we een beschrijving bij Hieronymus van Stridon, al moeten we die met enige voorzichtigheid lezen. Hij beschrijft in zijn commentaar op Ezechiël dat Nebukadnezar II de stad niet met conventionele middelen kon aanvallen, zoals stormrammen of belegeringsmachines, aangezien Tyrus een eilandstad was; daarom gaf hij zijn soldaten opdracht stenen te verzamelen en een dam aan te leggen van het vasteland naar de stadsmuren van het eiland. Dat zou (deels) een vervulling van Ezechiël 26 zijn. Al is er wel onzekerheid op basis waarvan Hieronymus dit stelt, want hiervoor is geen onafhankelijk historisch bewijs overgeleverd.
Het wordt complexer doordat er naast het huidige Tyrus ook een Oud-Tyrus bestond. Wat Oud-Tyrus genoemd wordt ligt nu grotendeels onder water. De Griekse historicus Herodotus (ca. 484-425 voor Christus) bezocht Tyrus rond 450 voor Christus aan het einde van de Grieks-Perzische oorlogen (499-449 voor Christus), en schreef in zijn Geschiedenis dat de stad volgens de plaatselijke priesters 2300 jaar eerder (rond 2750 voor Christus) was gesticht, als een ommuurde plaats op het vasteland, nu bekend als Paleotyrus (Oud-Tyrus). Dit laat zien dat er dus sprake was van twee delen van de stad.
In de beschrijving van Ezechiël 26 lijkt daarom sprake te zijn van elementen die zowel op de stad op het vasteland als op de stad op het eiland kunnen slaan. Nebukadnezar II heeft de stad op het eiland niet helemaal kunnen veroveren, zoals we kunnen lezen in Ezechiël 29 vers 19-20. De tekst daar suggereert dat de buit tegenviel, wat goed past bij een onvolledige verovering. De HEERE geeft daarom Egypte over in de handen van Nebukadnezar. Wat Nebukadnezar wél heeft gedaan, is een deel van de stad dat niet op het eiland zelf lag maar aan de kust, veroverd en verwoest. Daarmee is er dus wel degelijk sprake van een (gedeeltelijke) vervulling.
Op het einde van 333 voor Christus veroverde Alexander Judea en Samaria. Toen hij in Sidon was, begon hij te onderhandelen met de koning van Tyrus, Azemilcus, die neutraal wenste te blijven. De inwoners weigerden echter zijn eisen, waarna Alexander begon met het beleg van Tyrus.
De Macedoniërs bemachtigden de bouwmaterialen voor de aanleg van de zestig meter brede dam door een op het vasteland gelegen stadswijk te slopen. Het transport was in handen van de plaatselijke bevolking, die dus de eigen huizen moest afbreken en de stenen in zee moest werpen; een detail dat sterk doet denken aan de beschrijving uit Ezechiël 26.
Door slibafzetting is er sindsdien nieuw land ontstaan rond de brug en het eiland, waardoor het moderne Tyrus tegenwoordig op een schiereiland ligt.
Als het gaat om de uitleg van Ezechiël 26, en met name de vraag wanneer deze profetie in vervulling is gegaan, zien we dus twee zaken die met elkaar samenhangen. Ten eerste zien we het beleg door Nebukadnezar II, dat niet volledig gelukt is, al is er wel een deel van de stad verwoest. Ten tweede zien we een aantal eeuwen later, Alexander de Grote die het wél gelukt is, en daarbij de tactiek toepast zoals jij in jouw vraag beschrijft. Het is bekend dat hij daarbij de lokale bevolking inschakelde, die hun huizen moesten afbreken en in zee moesten werpen.
Om antwoord te geven op jouw vraag: de profetie lijkt niet door één gebeurtenis volledig vervuld te zijn, maar door een combinatie van gebeurtenissen (namelijk de belegeringen van Nebukadnezar én Alexander). Nebukadnezar heeft een deel van de stad verwoest. Of hij daarbij ook stenen in de zee geworpen heeft valt dus niet met zekerheid vast te stellen. Wat wij wel weten is dat Alexander de Grote eeuwen later stenen van de woonhuizen gebruikt heeft en in de zee laten werpen om een dam te bouwen.
Met vriendelijke groet,
Drs. D. van der Wal
Dit artikel is beantwoord door
Ds. D. van der Wal
- Geboortedatum:06-05-1987
- Kerkelijke gezindte:Christelijk Gereformeerd
- Woon/standplaats:Urk
- Status:Actief
Bijzonderheden:
Bekijk ook:


