Oudere bijbelhandschriften niet perse beter dan jongere
prof. dr. M.J. Paul | Geen reacties | 06-10-2026| 11:19
Vraag
Ik heb gelezen dat de Statenvertaling wat betreft het Oude Testament is vertaald uit Hebreeuwse teksten uit de tiende eeuw, terwijl de Latijnse Vulgata het Ouds Testament vertaald heeft uit Hebreeuwse teksten in de vierde eeuw. De Septuaginta is in het Grieks vertaald vanuit Hebreeuwse teksten uit de derde eeuw vóór Christus. Zijn die oude teksten dan toch niet betrouwbaarder als basis? In hoeverre is de vertaling van de Septuaginta van ds. Pieter Oussoren (2026) interessant?
Antwoord
Beste vraagsteller,
Inderdaad ging de Statenvertaling uit van Hebreeuwse teksten uit de tiende eeuw, maar dat doen de nieuwere vertalingen nog steeds. De twee bekendste handschriften zijn: de Codex Leningradensis, het oudste nog bestaande complete handschrift van de Masoretische Tekst, uit het jaar 1008. De Codex Aleppo, een ander Bijbelhandschrift is vermoedelijk een paar decennia ouder, maar niet compleet.
Kort na de Tweede Wereldoorlog zijn de Dode Zeerollen ontdekt, met daarin grote delen van handschriften van het Oude Testament. Deze rollen en fragmenten dateren uit de tweede eeuw voor Christus tot de eerste eeuw daarna. Vergelijking levert op dat de tekst in de loop der eeuwen zeer goed bewaard is gebleven. Er zijn wel enige kleine afwijkingen, zoals in Jesaja 53:11, waar de Statenvertaling heeft: “Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien.” Daarbij is onduidelijk wat ‘het’ is. In de Dode Zeerollen staat ‘het licht’. Daarom heeft de Herziene Statenvertaling in een voetnoot: “Volgens een van de Dode Zeerollen en de Septuaginta: het licht.” Een vers met diverse verschillen is Deuteronomium 32:43 (zie hiervoor de verklaringen). Wie alle teksten wil vergelijken, kan terecht in Abegg, Flint en Ulrich, “The Dead Sea Scrolls Bible”, Edinburgh 1999.
"Het lijkt alsof oudere handschriften beter zijn dan jongere, maar dat hoeft niet het geval te zijn"
Het lijkt alsof oudere handschriften beter zijn dan jongere, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Handschriften werden, zoals de naam al aangeeft, met de hand overgeschreven en de ene schrijver was nauwkeuriger dan de andere. In de loop van de tijd hebben de Masoreten zeer strikte regels opgesteld voor het overschrijven. Men nam de beste handschriften als uitgangspunt.
Het is onbekend welke Hebreeuwse teksten door de Septuaginta zijn gebruikt. Deze vertaling blijft van groot belang, omdat deze in het Nieuwe Testament nogal eens geciteerd wordt. Hier komt echter ook het punt van vertaalprincipes naar voren. Per Bijbelboek verschilt dat: soms is de Septuaginta vrij letterlijk, maar andere keren erg vrij. Het Bijbelboek Jeremia bevat in de versie van de Septuaginta een kortere tekst. Er ontbreken allerlei gedeelten, zoals Jeremia 10:6-8; 27:19-22; 29:16-20 en 33:14-26. De profetieën tegen de andere volken (Jeremia 46-51) staan op een andere plaats, namelijk na Jeremia 25:13 en ook in een andere volgorde. De Septuaginta heeft bij Jeremia overigens ook nog toevoegingen van ongeveer honderd woorden ten opzichte van de ons bekende Hebreeuwse tekst. Dat de Septuaginta een vrije weergave biedt, blijkt uit vergelijking met andere oude Griekse vertalingen (Aquila, Symmachus, Theodotion, Lucianus), de Syrische vertaling (Peshitta), de Latijnse Vulgata en de oudste Joodse geschriften, zoals de Aramese Targum Jonathan.
Hiëronymus herzag de bestaande Vetus Latina en verbeterde die op grond van Hebreeuwse handschriften. Welke dat waren, is onbekend. Ook hier is van belang om na te gaan welke uitgangpunten hij gebruikte.
Bij het beoordelen van vertalingen is niet slechts de ouderdom van de handschriften van belang. De kennis van de oosterse talen, de grammatica en de archeologie is in de afgelopen eeuwen sterk toegenomen. Denk aan de ontcijfering van het Egyptisch, het Akkadisch en het Ugaritisch. Daardoor zijn voor allerlei weinig voorkomende woorden nu betere vertalingen beschikbaar dan in de tijd van de Statenvertaling. Ook de toepassing van de kenmerken van poëzie (aanwezig in de Hebreeuwse teksten) maakt de vertaling toegankelijker. Dat blijkt wel uit de vertalingen van het taalkundig moeilijke boek Job, met wel honderd woorden die verder niet in Bijbel voorkomen. Als voorbeeld ter vergelijking noem ik Job 28:1-11, vooral vers 4. In de Statenvertaling is dit gedeelte naar de kennis van die tijd zo goed mogelijk vertaald, maar blijft toch onbegrijpelijk (ook in de kanttekeningen). “Breekt er een beek door, bij dengene die daar woont, [de wateren] vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput [en] gaan weg.”
Nieuwere vertalingen, die van dezelfde grondtekst uitgaan, maken de tekst duidelijker voor de lezer. “Hij hakt een [mijn]schacht uit, ver van de plaats waar hij verblijft; zonder steun van de voet hangen zij, ver van de sterveling zweven zij” (HSV) of “Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid, tot waar zijn voet geen steun meer vindt en hij verloren in de leegte hangt” (NBV21).
Prof. dr. M. J. Paul
Dit artikel is beantwoord door
prof. dr. M.J. Paul
- Geboortedatum:13-03-1955
- Kerkelijke gezindte:PKN (Hervormd)
- Woon/standplaats:Oegstgeest
- Status:Actief
Bijzonderheden:
-Eindredacteur Studiebijbel OT
-Senior docent Oude Testament (CHE)
-Deeltijd hoogleraar OT te Leuven (B)
Bekijk ook:


