Belasting geen tienden
Redactie Refoweb | 5 reacties | 13-05-2026| 08:10
Vraag
Ik had een gesprek met iemand over het geven van de tienden. Diegene zei dat dit absoluut niet meer hoeft, omdat je zoveel belasting aan de overheid betaald en veel van je salaris ingehouden wordt, dan dit al ruim boven de 10 procent uit komt. En een deel daarvan besteedt de overheid ook aan goede doelen. Ik twijfel over dit antwoord.
Antwoord
Belasting betalen is niet hetzelfde als het bijbelse geven van je gaven. Bovendien is het een verplichting en het ander doe je uit liefde. En het deel van de belastinguitgaven dat naar christelijke goede doelen vloeit, is naar grove schatting nog geen 0,5 %. Dat zijn dus geen sterke argumenten van die iemand. Je kunt hier meer over lezen in de vragen en antwoorden uit het archief over 'Tienden'. Zoals:
"Ik ben ervan overtuigd dat er een opwekking zal gaan komen, wanneer christenen weer 10 procent van hun inkomen én 10 procent van hun tijd aan (het koninkrijk van) God gaan geven. Daarvan getuigt ook Maleachi 3:10. In het Nieuwe Testament wordt de inzameling van de gaven een dienst der offeranden genoemd. In Hebreeën 13:16 spreekt Paulus over de weldadigheid en mededeelzaamheid: in zulke offers heeft God een welbehagen."
(Uit: Het geven van je tienden)
"U geeft gewoon zoveel als u missen kunt. Hoeveel kan een vrek missen? NIETS. Hoeveel kan een christen missen? ALLES. Wie komt er ooit klaar mee? Een kind van God niet, want de liefde beschuldigt ons altijd weer: te weinig gegeven. Terwijl een vrek, wanneer zijn geweten hem dringt om iets te geven, de wroeging voelt: te veel gegeven... Wat bent u? Een vrek of een christen? Een vrekkige christen? Dat is hetzelfde als een vierkante cirkel. Een christelijke vrek? Die heeft God niet geschapen."
(Uit: Omgaan met geld en geven van tienden)
Dit artikel is beantwoord door
Redactie Refoweb
Bijzonderheden:
Mailadres: vragen@refoweb.nl
Dit panellid heeft meerdere artikelen geschreven
Dus voor een deel is het waar dat er een overeenkomst is tussen tienden en belastingen.
Naast de tienden zijn er in het OT ook allerlei regels voor offers (schuldoffers, reukoffers, dan koffers) waarmee ook gegeven werd. En dat raakt denk ik meer aan andere redenen om geld te geven: ben je bereid om te delen? Zit je vast aan je geld? Kun je geld zien als middel om iets goeds te doen voor een ander of heb je het allemaal zelf 'nodig'?
In ons gezin betalen we zonder morren ("met liefde") belasting en is het een bewuste keuze om zelf geen zwart werk te doen én de schilder/timmerman ook niet zwart te betalen (daarmee volgen we de wetten van onze overheid).
Daarnaast zetten we elk jaar een vast percentage van ons inkomen apart voor goede doelen. 1/4e daarvan geven we aan onze kerkelijke gemeente, 1/4e aan goede doelen in Nederland en 1/4e aan goede doelen wereldwijd. Deze doelen leggen we elkaar jaar vast.
Het laatste 1/4e gaat naar dat wat God op ons pad brengt: een extra gift bij een natuurramp, een buurvrouw die het financieel zwaar heeft, een vast goed doel dat een financiële tegenvaller heeft. Het kan van alles zijn.
Belastinggeld regelt eigenlijk automatisch wat de tienden deden.
Het NT spreekt dan ook niet van 'tienden' maar van 'wat je missen kunt' (1 Kor 16).
Betekent niet dat je niks meer hoeft te geven 'omdat je al belasting betaalt'. Je kunt altijd naast de belasting, kijken welke mensen en/ of instanties in je buurt wat kunnen gebruiken waar jij over houdt. Bijv een gezin van school oid.
Daarnaast had Jezus als doel om de farizeers te wijzen op hun wettisisme. Hij had niet het doel om de wet an sich te verduidelijken.
Paulus zet een nieuw model neer, passend bij het nieuwe verbond zonder offer- en tempeldienst (1 kor 16). En de praktijk was dat ze ruim, vrijwillig en met vreugde gaven.
De wetgeving ronden het geven van tienden is vooral ingevoerd door de katholieke kerk in de middeleeuwen. De reformatie brak hier juist mee, en wees op de principes van het NT: vrijwillige gaven, naar vermogen. Calvijn leerde dat de ceremoniële wetten van het Oude Testament zijn afgeschaft door Christus. Hij zag de tienden dan ook niet als een "wet" waar christenen zich juridisch aan moeten houden.
Het is zeker geen nieuw model wat Paulus invoert. Hij wijst er juist op dat ook in de Joodse diaspora zaken rechtgezet moesten worden over het brengen van de tienden en andere offergaven. Men dacht gewoon: de tempel is niet in een paar dagreizen te bezoeken om daar onze gaven te geven. Het andere model war er wel het onderhoud van de synagogen met hun interieur. Het bekostigen van de Hoge Feesten en allerlei andere zaken die u kunt vergelijken met reguliere kerkonderhoud en energievoorziening.
Ook schaft Paulus niet de offerdienst af: sterker nog hij bekostigt zelfs het offer om die met vier anderen te brengen in de tempel. Dat vele eeuwen later de heer Calvijn die terzijde schuift is een hele slechte maatregel geweest. Het gevolg daarvan was dat er veel armenhofjes werden gesticht min of meer bewust buiten het straatbeeld.
Dan het hedendaagse beeld dat toch vooral de door velen aangeduide "de NT-tijd" een definitieve breuklijn is. Niets is minder waar, het Joodse leven ook in de synagogen ging gewoon door op de oude voet door. Niets werd er afgeschaft en voor vele Joodse Synagoge’ s in de diaspora kam er een grote verrijking bij het erkennen en belijden van onze Joodse Messias Yeshua.
Die Synagoge’ s in de diaspora waren wij heel blij met de Farizeeën die in de Messias geloofden. Zij waren zeer geliefd en droegen constructief bij aan het onderhouden en instructie geven van de geboden. Niet vanuit een heersende positie, maar een dienende taak een verrijking voor de plaatselijke Synagoge. Zij stonden lijnrecht tegenover de Sadduceeën die de opstanding van Yeshua naar het rijk der fabelen wees. Plaats u vooral in de context van die tijd: je zal in de diaspora een Synagoge hebben waarin de Sadduceeën de leiding hadden. Dan werd daar de blijde boodschap van het verlossingswerk niet aanvaard. Zij die dat wel erkenden en daarmee in tegenspraak kwamen werden er gewoon uitgegooid.
U zult dit vast wel herkennen dat er verschillende kerkgenootschappen zijn met een linker- midden- en rechterstroming. Er is echt niets nieuws onder de zon. 1 Cor. 1:10-12 is een projectie van deze tijd.
Dan over de tienden gesproken, want daar gaat het tenslotte om. Het principe daarachter is om het buitensporig vermogen te beperken en zo de vrede en welvaart te delen binnen de Kinderen van Israël. Wat leert de Eeuwige aan ons? Alle Kinderen van Israël zijn een uitgebreide familie van elkaar. Zij hebben een gezamenlijke taak het bouwen en bewaren van het land en het onderhouden van de geboden. In die geboden zit ook het gebod dat van de tienden de gehele stam van Levi onderhouden moest worden van giften en gaven om zo de geestelijke leiders te zijn van de Kinderen van Israël. Inclusief het handhaven van het recht en de juridische zaken.
En ja, wij zijn gewoon mensen net als de rest van deze wereld die te maken krijgen met rechtszaken. Wij ruziën maar al te vaak en handelen niet met wijsheid. Ook dat is een kostbare zaak geworden om alles in kleitabletten of op papyrus de grenzen vast
te stellen. En in verhouding klopt de tienden redelijk ten opzichte van de twaalf stammen waarin een stam is vrijgesteld.
Wat leert mij de vraag over het geven van tienden? Als eerste dat als dat gebod er niet zou zijn het een complete burgeroorlog zou worden. Heel bewust heeft de Eeuwige ervoor gekozen om de rijkdom te beperken en te herverdelen. Deze samenhang bevordert de eenheid binnen de Kinderen van Israël. Daarmee leert de Eeuwige ons: op alle vlakken van de samenleving het rentmeesterschap in ogenschouw te nemen. Verantwoordelijkheid te dragen en oog te hebben voor mogelijke armoede in het grotere verband. Dat was de bijzondere taak van de stam van Levi die in de ballingschap ook hun werk voortzetten en daarna als Farizeeën betiteld werden. Het is noodzakelijk om de juiste context te (her)ontdekken. Dan worden wij gewoon milder en begrijpen waar het om gaat.
Boven op die tienden betaalde alle Kinderen van Israël de offers voorafgaande aan de Grote Verzoendag. Deze verplichte offers werden namens de gojim aangeboden aan de Eeuwige. Deze offers waren er al voor de tempelbouw en na de verwoesting van de tempel konden deze offers niet meer gebracht worden. Dat ontsloeg de Kinderen van Israël niet van het niet bekostigen van de offergaven. Zij bleven gewoon in stand en werden in geld gegeven voor Synagogale taken.


