Veranderde opvattingen na openbare geloofsbelijdenis

N. (Nico) van Steensel | Geen reacties | 10-03-2026| 12:18

Vraag

Onderstaande vragen zijn niet bedoeld om ons gelijk te halen of om iemand aan te vallen. Het gaat ons om de zuiverheid en helderheid van de leer en prediking in het licht van Schrift (Statenvertaling) en belijdenis. Met die vragen liepen wij al langere tijd rond. Juist daarom hebben wij uiteindelijk het gesprek gezocht om uitleg te krijgen. Dat gesprek heeft echter uitspraken opgeleverd die ons eerlijk gezegd verbaasden en met vragen achterlieten. Daarom leg ik de onderstaande vragen nu voor, in de hoop op een inhoudelijke, Schriftuurlijke beoordeling.

1. Is het Schriftuurlijk en gereformeerd verantwoord om te stellen dat het na belijdenis en doop niet meer geoorloofd is om vragen te stellen over de leer en haar overeenkomst met Schrift en belijdenis?

2. Is het zo dat het stellen van zulke vragen betekent dat iemand liegt over zijn belijdenis of ontrouw is aan zijn ja-woord?

3. Is het Schriftuurlijk om ouders te verwijten dat zij hun kinderen “op het spel zetten”, wanneer zij niet onbevangen (dus zonder vragen of toetsing) kunnen luisteren, maar juist leer en prediking willen toetsen aan Schrift en belijdenis?

4. Acht u het passend en verantwoord dat in een gesprek waarin iemand vragen stelt ter verduidelijking, al gesproken wordt over mogelijke kerkelijke tucht?

5. Is het een normale en bijbels verantwoorde gang van zaken dat een vervolggesprek of herstel van de verhouding afhankelijk wordt gemaakt van een voorafgaande (her)bevestiging van het “ja-woord” op (met name) de tweede vraag van het doopformulier?


Antwoord

Geachte vraagsteller,

Ik begrijp dat er al een hele weg gegaan is, voordat deze vragen zo gesteld worden, waarin gevoelens bezeerd zijn en het vertrouwen geschaad is. U stelt de vragen vooral naar de procedure, los van een concreet voorbeeld van meningsverschil. Bij het gesprek naar aanleiding van vragen over de leer is onderling vertrouwen nodig, vriendelijkheid, pastorale bewogenheid en is goed communiceren uiterst belangrijk. We moeten een zoekende en vragende houding hebben. Natuurlijk kunnen ambtsdragers weleens scherper zijn dan gewenst. 

Uw eerste vraag is of er door leden van de gemeente vragen gesteld mogen worden over de schriftuurlijkheid van de leer, die wij belijden. En dat in relatie tot de belijdenisvragen. Deze vragen luiden als volgt:

  1. Verklaart gij dat gij de leer van onze kerk, welke gij geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schriften?
  2. Belooft gij dat gij door Gods genade in de belijdenis van deze zaligmakende leer standvastig zult blijven, en in haar zult leven en sterven?
  3. Belooft gij dat gij overeenkomstig deze heilige leer uw leven altijd godvruchtig, eerbaar en onberispelijk zult inrichten, en dat gij uw belijdenis met goede werken zult versieren?
  4. Belooft gij dat gij u aan de vermaning, terechtwijzing en kerkelijke tucht wilt onderwerpen en onderworpen zult zijn, indien (wat God verhoede) het mocht gebeuren, dat gij u in leer of leven kwaamt te misgaan?

Bij onze openbare geloofsbelijdenis verklaren we achter de leer van de kerk te staan en dat we ons zullen onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en terechtwijzing. Dit kan nooit betekenen dat we na onze openbare geloofsbelijdenis niet van opvatting mogen veranderen. Wij zijn veranderlijke mensen, we worden beïnvloed door onze levensomstandigheden, door vrienden, door lectuur, door kennismaking met andere kerken, etcetera.  Verandering is menselijk. Dat kan inderdaad tot spanning leiden met onze kerkelijke gemeente, waaraan we verbonden zijn.
 

"Bij onze openbare geloofsbelijdenis verklaren we achter de leer van de kerk te staan. Dit kan nooit betekenen dat we niet van opvatting mogen veranderen"


Leden die over bepaalde onderwerpen van mening veranderen, kunnen dit tijdens een huisbezoek of op een andere manier aan de kerkenraad meedelen. Normaal zal de kerkenraad enkele ambtsdragers afvaardigen om met deze leden in gesprek te gaan als dat tijdens het huisbezoek niet naar tevredenheid kon afgehandeld worden. Dan kunnen de leden hun gerezen twijfels te kennen geven en kan de kerkenraad naar beste kunnen deze leden overtuigen dat de leer van de kerk overeen komt met de Schrift.

Wanneer iemand andere theologische opvattingen ontwikkelt, zal een kerkenraad meestal beginnen met pastorale gesprekken. Doelen daarvan zijn bijvoorbeeld: begrijpen wat iemand precies bedoelt; nagaan waar die overtuiging vandaan komt; samen de Bijbel en de belijdenis bespreken. In deze fase wordt het meestal niet meteen als ‘dwaling’ behandeld, maar als een geloofsvraag of worsteling.

Natuurlijk is belangrijk voor het gesprek in welke mate de nieuwe opvattingen van de leden afwijken van Schrift en belijdenis of dat het gaat om andere zaken buiten de belijdenis om of dat de leden menen dat de leer die in de kerk onderwezen wordt afwijkt van Schrift en belijdenis. De kerkelijk weg is echter dat leden die niet achter aspecten van de onderwezen leer staan met zachtmoedigheid en volharding onderwezen worden dat de leer Schriftuurlijk is. Over minder belangrijke zaken kan een zekere diversiteit in de gemeente aanvaard worden, maar zodra het om de inhoud van de drie formulieren van enigheid gaat, zal een kerkenraad het gesprek aangaan. Zo lang er hoop is dat de leden gehoor zullen geven aan het onderwijs en de vermaning van de ambtsdragers, kan de kerkenraad hiermee verdergaan. Ook kan van de gemeenteleden gevraagd worden hun vragen niet met andere gemeenteleden te delen, om geen verwarring in de gemeente te veroorzaken en de eenheid in gevaar te brengen. Campagne voeren voor een andere leer in een gemeente is vanzelfsprekend heel problematisch en duidelijk in strijd met de afgelegde geloofsbelijdenis.
De belijdenisvragen die met ja beantwoord zijn, betekenen ten minste dat de deur voor de ambtsdragers open hoort te staat als ze hiervoor komen en dat het gesprek open en nederig wordt aangegaan. Het is belangrijk om echt naar elkaar te luisteren en te erkennen dat het mogelijk is dat je je tot een verkeerde denkwijze hebt laten meenemen. Hierbij behoren de ambtsdragers redenen vanuit de Heilige Schrift en wat onze geloofsbelijdenissen erover vermelden aan te dragen voor de kerkelijke leer. Het is onjuist als ambtsdragers geen Schriftuurlijke of confessionele gronden weten aan te dragen en direct op grond van hun gezag als ambtsdragers geloof vragen in de onderwezen leer.
 
De tweede vraag stelt de relatie tussen de openbare geloofsbelijdenis en de veranderde opvatting aan de orde. Bij de openbare geloofsbelijdenis wordt beloofd standvastig te zullen blijven in de leer van de kerk en zich aan de kerkelijke terechtwijzing te zullen houden. 
 

"Wanneer iemand van opvatting verandert over enig vraagstuk, zou ik niet snel zeggen dat hij ontrouw is aan zijn ooit gegeven ja-woord"


Wanneer iemand van opvatting verandert over enig vraagstuk, zou ik niet snel zeggen dat hij ontrouw is aan zijn ooit gegeven ja-woord. En zeker niet zeggen dat hij zijn belijdenis tot een leugen maakt. Dat geldt al helemaal niet als het lid meent dat de kerk niet meer de ware leer naar Schrift en belijdenis onderwijst; maar dat hangt ook af of het lid afwijkt van onderdelen van de Belijdenisgeschriften, of bij voorbeeld bepaalde opvattingen over de eindtijd heeft gekregen, die in de belijdenis niet genoemd worden. 

Een docent van een reformatorische school werd ontslagen vanwege ontrouw aan de belijdenis toen hij leerlingen uitnodigde voor zijn herdoop in een evangelische gemeente. Deze docent had de drie formulieren ondertekend en toen hij hier niet meer achter stond, had hij dat moeten melden aan de schoolleiding. In dit geval geldt dat de docent zelf niet meer achter zijn geloofsbelijdenis en de leer van de kerk stond.
 
Het kan voorkomen dat een lid zich niet ontrouw acht aan zijn belijdenis, maar vindt dat de kerk niet (meer) de leer van Schrift en Belijdenis volgt. Anderen menen dat hun openbare geloofsbelijdenis vooral te maken had met hun relatie tot God en met de belijdenis van Christus als enige Zaligmaker van een verloren zondaar; en dat ze daarmee nooit bedoeld hebben zich voor altijd aan de hele leer van de kerk te binden, omdat ze die toen ook nog helemaal niet hadden onderzocht.

Wanneer iemand over een aspect van de geloofsleer van opvatting veranderd is, en bij voorbeeld beïnvloed is door Jehova’s Getuigen en de leer van de drie-eenheid gaat ontkennen, dan kunnen we wel zeggen dat hij ontrouw geworden is aan zijn geloofsbelijdenis. 

De derde vraag gaat over de luisterhouding in de gemeente -de prediking willen toetsen aan de Schrift- en mogelijke gevolgen daarvan voor hun kinderen. Het lijkt alsof u bedreigd bent dat u uw kinderen zult meeslepen in uw kritische houding. Dreiging is niet een pastoraal middel. Natuurlijk moeten we altijd nadenken over de gevolgen van ons gedrag voor onze kinderen. 

Het formulier voor de bevestiging van predikanten zegt in de eindvermaning: “En gijlieden ook, geliefde Christenen, ontvangt deze uw dienaar in de Heere met alle blijdschap, en houdt de zodanigen in grote waarde. Gedenkt dat God Zelf ulieden door hem aanspreekt en bidt. Neemt dan het Woord aan, hetwelk hij u, volgens de Heilige Schrift, zal verkondigen, niet als der mensen woord, maar gelijk het in waarheid is als Gods Woord. Laat u liefelijk en aangenaam zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, die het goede boodschappen. Zijt uw voorgangers gehoorzaam; want zij waken voor uw zielen…”

In het formulier ter bevestiging van ouderlingen wordt de derde taak van ouderlingen als volgt onder woorden gebracht: “Ten derde is dit hun ambt, inzonderheid mede toezicht te nemen op de lering en de wandel van de dienaren des Woords, ten einde alles tot stichting der kerk gericht moge worden en dat geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgeen we lezen Handelingen 20:28, waar de apostel vermeent naarstige wacht te houden tegen de wolven die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Om hetwelk te doen de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstig te doorzoeken en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.” De last om de prediking te toetsen aan Gods Woord is bijzonder aan de ouderlingen gegeven en is niet de taak van elk gemeentelid. De gemeente mag luisteren naar de prediking als naar Gods stem en het Woord aannemen en gehoorzamen. 

Ik wil niet zeggen dat elk lid van de gemeente totaal kritiekloos moet luisteren; en met vragen kunnen ze terecht bij de ouderlingen. Maar een kritische luisterhouding berooft  ons inderdaad vaak van de zegen op de prediking. En dit kan ook een negatieve uitwerking op kinderen hebben.
 

"Dreiging is niet een pastoraal middel en zo hoort het niet gebruikt te worden. De regel is dat tuchtmaatregelen zo lang mogelijk worden uitgesteld"


De vierde vraag gaat over het noemen van de kerkelijke tucht in een gesprek over de kerkelijke leer. In kerkenraden kan er een soort spanning zijn tussen de neiging om andere gemeenteleden te beschermen en het verlangen om kritische gemeenteleden terug te winnen met de kracht van het Bijbels getuigenis. Ik zei net al: dreiging is niet een pastoraal middel en zo hoort het niet gebruikt te worden. De regel is dat tuchtmaatregelen zo lang mogelijk worden uitgesteld. Dat met geduld met elkaar wordt omgegaan. Er moet ook goed worden nagedacht of een meningsverschil inderdaad wel tuchtwaardig is en of er sowieso moet worden overgegaan tot tuchtmaatregelen.

Het laatste wat u vraagt is onze opvatting over de eis om eerst de leer van de kerk te bevestigen (in de vorm van een van de doopvragen) voordat er een vervolggesprek zal plaatsvinden om de relaties te herstellen.

U zult begrijpen dat om recht te doen aan twee partijen je eerst beide partijen gehoord moet hebben. In uw contact met uw kerkenraad lijken de ambtsdragers zich nogal formeel te hebben opgesteld. U moet datgene waar u vragen bij had, herroepen voordat relaties weer hersteld kunnen worden. Ik wek u op om het gesprek met uw ambtsdragers nederig en met liefde en de eenheid zoekend aan te gaan. De eenheid is een kostbaar goed. De Heere Jezus bidt om de eenheid van Zijn gemeente. Zie Johannes 17:21. Laten we dat gebed altijd in onze gedachten bewaren.

Gods genade toegewenst om in harmonie met uw kerkenraad om te gaan en met zegen de prediking te mogen beluisteren, met hartelijke groet,
Nico van Steensel

Lees meer artikelen over:

belijdenis

Mis niks, abonneer je op onze WhatsApp en wekelijkse nieuwsbrief

Dit artikel is beantwoord door

N. (Nico) van Steensel

  • Geboortedatum:
    19-12-1955
  • Kerkelijke gezindte:
    Gereformeerde Gemeenten
  • Woon/standplaats:
    Dordrecht
  • Status:
    Actief
29 artikelen
N. (Nico) van Steensel

Bijzonderheden:

Voormalig zendeling en godsdienstdocent


Dit panellid heeft meerdere artikelen geschreven
Geen reacties
Je kunt niet (meer) reageren op dit bericht. De reactiemogelijkheid is niet geactiveerd of de uiterste reactietermijn van 1 maand is verstreken.

Terug in de tijd

Zware zonden

Ik ken de Bijbel zeer goed. Leef in bedrog. Heb Jezus te vaak (mijns inziens) verloochend. Heb mijn baan bewust op het spel gezet. Zal misschien zelfs mijn huis moeten verkopen. Heb de boel op school ...
1 reactie
10-03-2015

Vervulling profetie uit Ezechiël 40

Naar aanleiding van dit antwoord over Ezechiël heb ik toch nog een vraag. Ds. Hulsman eindigt zijn antwoord met de opmerking dat de profetie uit Ezechiël 40 en verdere hoofdstukken zijn diepste vervul...
Geen reacties
10-03-2011

Het einde van Judas

In Mattheus 27:3-5 staat dat Judas zich op hing en in Handelingen 1:18 staat dat hij een stuk grond kocht, voorover gevallen was en dat hij daarbij openbarstte en dat zijn ingewanden naar buiten kwame...
1 reactie
10-03-2016
design website door design website by Mooimerk website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis hosting website door hosting website by STH Automatisering
Stel hier
een vraag