Vaste vertrouwen doet twijfel verdwijnen
Ds. W.G. Hulsman | 1 reactie | 08-01-2026| 10:21
Vraag
Al best wat jaren geleden heb ik Jezus aan mogen nemen als mijn Verlosser. Ik weet dat Hij voor mijn zonden is gestorven. Maar de duivel heeft een zaadje van twijfel geplant, lijkt wel. Hij brengt mij de laatste tijd aan het twijfelen of het geloof wel allemaal waar is, terwijl ik dat nooit heb gehad. Ik probeer het zaadje niet te voeden en er tegen te strijden. Maar hoe stop ik het en hoe zorg ik ervoor dat ik het allemaal weer zeker weet? Ik durf het niet te onderzoeken omdat ik bang ben dat de duivel dan nog meer grip erop krijgt. Terwijl ik met mijn verstand weet dat God veel machtiger is. Kunt u mij helpen? Ik wil die twijfel niet meer hebben.
Antwoord
Mooi dat je met deze vraag komt en vertelt waar je mee zit. Uit wat je schrijft merk ik dat je een persoonlijke verhouding hebt met de Heere Jezus. Je geeft daarbij aan dat je weet dat Hij voor je zonden gestorven is. Dat is een bijzondere zegen.
Je wilt niet dat je dat geloof door twijfel kwijtraakt. Dat zou je erg vinden. Daaruit begrijp ik dat je wat je door het geloof hebt ontvangen, erg belangrijk vindt. En dat is het ook. Eén is er echter die van het geloof af wil brengen: de boze. Hij gebruikt daar allerlei middelen voor, onder andere verleidingen tot zonde, of door je zo druk te laten zijn dat je aan de omgang met de Heere niet toekomt, of door zoals bij jou twijfel te zaaien.
In je vraag zeg je op een gegeven ogenblijk: hoe stop ik het en hoe zorg ik ervoor dat ik het allemaal weer zeker weet. We kunnen de twijfel in ieder geval niet in eigen kracht overwinnen. We moeten bij de Heere Jezus zijn en ons verdiepen in wie Hij is en wat Hij gedaan heeft voor ons. Hij is ook verzocht door de duivel op allerlei manieren. Denk aan de verzoeking in de woestijn. De Heere Jezus is staande gebleven. Hij zei: “Er staat geschreven”, etcetera. Hij deed dat in onze plaats. Zo mag je de verkeerde en twijfelende gedachten tegengaan met het Woord van de Heere en bijvoorbeeld wijzen op de volgende teksten: Johannes 10:27-29: “Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven. Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader roven.” En Filippenzen 1:6: “Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus.”
Juist door zo in het vaste vertrouwen, dat de Heere doet wat Hij zegt, te luisteren naar het Woord van de Heere en het in het gebed van Hem te verwachten, gaat de twijfel verdwijnen.
Ds. W. G. Hulsman
Dit artikel is beantwoord door
Ds. W.G. Hulsman
- Geboortedatum:08-11-1956
- Kerkelijke gezindte:PKN (Hervormd)
- Woon/standplaats:Barneveld
- Status:Actief
Bijzonderheden:
Emeritus
Dit panellid heeft meerdere artikelen geschreven
Het is als met de wijze en de dwaze bouwer:
"Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd. En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft; en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot. Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van Zijn onderricht, want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de Schriftgeleerden." (Mattheüs 7:24-29)
Mocht je hutje instorten, dan heb je antwoord op je vraag en dan weet je wat je mist en naar Wie je toe moet:
"Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben." (Johannes 4:10)


